Vanaf mijn vroegste jeugd ben ik geïntrigeerd door muziek. Mijn ouders hadden allebei geen enkele muzikale achtergrond, hoewel bij mijn moeder thuis altijd de radio aanstond, waarbij zo vaak als mogelijk luidkeels werd meegezongen. Mijn vader had daar niets mee. Op de vraag van de onderwijzer wat vader als eerste zei als hij thuis kwam, antwoordde mijn jongste broer dan ook : “Zet die radio eens wat zachter”.

Dat je als kind naar de muziekschool zou kunnen, is tot mij nooit doorgedrongen. Wel hadden we in mijn geboortestad Roosendaal als kinderen van een jaar of tien een buurtbandje, en ik was de zanger. Onder de naam The Leys hebben we welgeteld één optreden gegeven met wasteil en rinkelstokken als begeleiding, bij een bonte avond in een buurthuis met één nummer: Ik kan geen kikker van de kant afduwen. Succesvol, zeker.

Later op de middelbare school hing ik altijd rond bij de jongens uit mijn klas die een popgroep hadden. Dat wilde ik ook wel. Maar eigenlijk was mijn ideaalbeeld om met een gitaar bij een kampvuur op het strand liedjes te zingen.

Pas nadat ik de middelbare school had verlaten waagde ik mij aan het gitaarspel. Met een gitaar die mijn oudste broer thuis had laten staan nadat hij de stad uit was gegaan en het gitaaroefenboek dat mijn jongere broer had gekregen voor Sinterklaas ging ik aan de slag. Mijn moeder vroeg met enige regelmaat of ik niet beter boven kon gaan oefenen, daar had ik geen probleem mee.

Na een half jaar akkoorden instuderen begon het erop te lijken. Ik vond de tijd ook rijp om iets met het aangeleerde te gaan doen en besloot met een buurtgenoot een politiek cabaret te beginnen, dat we de naam Satirikon meegaven, louter vanwege het woord satire wat erin verborgen zat. Niet veel later had ik de unieke kans om een aftandse contrabas over te kopen voor dertig gulden van een popgitarist die ‘m kwijt wilde. Nou, daar hoefde ik niet lang over na te denken. Een andere gitarist, die ik al een tijdje kende van gesprekjes (vooral over muziek) in verschillende jongerengelegenheden, vroeg me of ik die contrabas niet een keertje wilde komen stemmen tijdens de repetitie van hun bandje…